De geschiedenis van het ‘törggelen’
‘Törggelen’ is een oude traditie die teruggaat tot de tijd waarin wijnhandelaren de wijnboeren bezochten om jonge wijn te proeven, meestal tussen begin oktober en het begin van de adventtijd.
Begrip: de naam van deze Zuid-Tiroolse traditie komt van het Latijnse woord ‘torculum’, wat wijnpers betekent. In het Zuid-Tiroolse dialect heeft men hiervan ‘torggl’ gemaakt.
Ontstaan: de traditie van het ‘törggelen’ komt waarschijnlijk oorspronkelijk uit het dal Valle Isarco/Eisacktal, een regio waar eigenlijk helemaal niet zoveel wijn wordt geproduceerd. De volgende verklaring voor de oorsprong van het ‘törggelen’ klinkt daarom plausibel: wijnboeren uit het Valle Isarco mochten hun dieren ‘s zomers laten grazen op de weiden van de bergboeren. Als tegenprestatie nodigden ze de bergboeren uit voor een boerenfeestmaal met jonge wijn. Met het ‘törggelen’ werd zogezegd de ruilhandel beklonken. Om de jonge wijn te proeven, daalde men af in de kelder waar de wijnpers, de ‘torggl’ stond. Boven in de boerenkamer werd er dan gezellig gegeten en gedronken.
Een andere mogelijke verklaring is dat de oogsthelpers vroeger als blijk van dank een groot feestmaal kregen voorgeschoteld.
Wijn en kastanjes: al in de pre-Romeinse tijd kwamen kastanjes in het Alpengebied voor. Eerste bewijzen voor het ontstaan van een kastanjecultuur in Zuid-Tirol gaan terug tot de tijd waarin de Langobarden over dit gebied heersten (ca. 600 na Chr.). Toen de wijnbouw in de Middeleeuwen steeds belangrijker werd, groeide ook de behoefte aan kastanjehout. De verspreiding en populariteit van de kastanje als voedsel is echter met grote waarschijnlijkheid te danken aan de kloosters. De ‘kestn-’ en ‘fiseilnsupp’, een soep van kastanjes en bonen, was in de kloosterkeukens een bekend en populair vastengerecht. Zelfstandige Beierse kloosters bezaten in de Middeleeuwen uitgestrekte wijngoederen in Zuid-Tirol. Hier produceerde men zowel miswijn als wijn voor herbergen en taveernes. Het is daarom niet verbazingwekkend dat benedictijnen met hun voorkeur voor lekker eten en drinken al snel ontdekten dat gepofte kastanjes en jonge wijn een ‘hemelse combinatie’ waren.
Keuken: een typische ‘törggelen’-maaltijd bestaat uit zoete most (‘siasser’) en jonge wijn (‘nuier’), afgerond met gepofte kastanjes (‘keschtn’) en eventueel zoete beignets. Als hoofdgerecht kwamen vroeger vooral spek en gerookte worstjes (meestal zelfgemaakt) naast eenvoudige boerenkost op tafel. Tegenwoordig worden vaak stevige slachtschotels met onder andere ‘surfleisch’ (gepekeld varkensvlees), zuurkool, diverse worstsoorten en knoedels geserveerd.
