De sage van koning Laurin en zijn rozentuin
De rood oplichtende bergen weerspiegelen het lot van de dwergenkoning en zijn rozentuin
Heel lang geleden, toen de Alpendalen nog bewoond werden door reuzen en dwergen, regeerde dwergenkoning Laurin binnenin de berg die wij ‘rosengarten’ (= rozentuin) noemen. Hij was onmetelijk rijk, maar zijn grootste schat was een kap waardoor hij onzichtbaar werd.
Laurins trots was een prachtige tuin voor de poorten van zijn rotsburcht. Het hele jaar door bloeiden daar ontelbare rode rozen. Om de rozentuin heen was een gouden zijdedraad gespannen – wee degene die het waagde de draad te breken en ook maar één roos te plukken! Laurin dreigde dat hij de linker hand en de rechtervoet van deze onverlaat zou afhakken.
Op een dag zag Laurin op een naburige burcht een beeldschone blonde prinses: Similde, een mensenkind. Hij werd verliefd op haar en ontvoerde haar met behulp van zijn kap. Vanaf die dag leefde Similde in het bergrijk van de dwergenkoning. Ze werd omringd door goud, zilver en edelstenen, bediend en bewaakt door edele jonkvrouwen en dwergenridders. Maar dat alles kon Similde niet gelukkig maken, want ze had heimwee naar de bloemenweiden uit haar geboortestreek.Op de burcht van Simildes broer Dietlieb was iedereen hevig geschrokken en verdrietig. Dietlieb besloot op zoek te gaan naar zijn zus. Onderweg kwam hij Dietrich von Bern tegen, de koning van de Goten, en samen met hem en andere ridders ging hij op weg naar het rijk van koning Laurin.
Daar aangekomen, keek Dietrich vol verbazing en verwondering naar de prachtige rozen en de gouden draad die eromheen gespannen was. Maar zijn metgezellen braken de draad en vertrapten de rozen. Toen Laurin dat zag, werd hij woedend. Op zijn witte paardje stormde hij naar buiten en eiste de hand en de voet van deze onverlaat. Hij bond de strijd aan met zijn tegenstander, maar het was een ongelijke strijd. In het begin kon Laurin zich met zijn kap onzichtbaar maken, maar zijn tegenstanders slaagden erin de kap weg te trekken. Laurin viel op de grond en smeekte om zijn leven. Hij werd overmeesterd, geboeid en gedwongen zijn overwinnaars in zijn rijk toe te laten. Daar werd Similde bevrijd. Laurin nodigde Dietrich en diens gevolg uit voor een maaltijd. Toen iedereen had gegeten en gedronken, kwamen opeens duizenden dwergen tevoorschijn die Dietrich en zijn mannen overvielen, vastbonden en opsloten in het donkerste deel van het bergrijk. Dietrich was zo kwaad over deze geniepige daad, dat hij een ongelooflijke kracht ontwikkelde. Zijn boeien sprongen uiteen, waarna hij zijn mannen bevrijdde. Ze braken alle deuren en sloten open en overvielen de nietsvermoedende dwergen. Uiteindelijk slaagden ze er ook in de dwergenkoning gevangen te nemen. Zo kwam er een einde aan de heerschappij van het dwergenrijk. Door een toverspreuk van de geboeide koning was de glans van zijn rozentuin voorgoed gedoofd: niemand zou de rozen ooit nog te zien krijgen, niet op klaarlichte dag en evenmin in de nachtelijke duisternis. Alleen naakte, bleke rotsen zouden blijven staan. Maar Laurin was vergeten de schemering te noemen. En zo lichten de ‘bleke bergen’ nog steeds roodgloeiend op in de avondschemering.
Op een dag zag Laurin op een naburige burcht een beeldschone blonde prinses: Similde, een mensenkind. Hij werd verliefd op haar en ontvoerde haar met behulp van zijn kap. Vanaf die dag leefde Similde in het bergrijk van de dwergenkoning. Ze werd omringd door goud, zilver en edelstenen, bediend en bewaakt door edele jonkvrouwen en dwergenridders. Maar dat alles kon Similde niet gelukkig maken, want ze had heimwee naar de bloemenweiden uit haar geboortestreek.Op de burcht van Simildes broer Dietlieb was iedereen hevig geschrokken en verdrietig. Dietlieb besloot op zoek te gaan naar zijn zus. Onderweg kwam hij Dietrich von Bern tegen, de koning van de Goten, en samen met hem en andere ridders ging hij op weg naar het rijk van koning Laurin.
Daar aangekomen, keek Dietrich vol verbazing en verwondering naar de prachtige rozen en de gouden draad die eromheen gespannen was. Maar zijn metgezellen braken de draad en vertrapten de rozen. Toen Laurin dat zag, werd hij woedend. Op zijn witte paardje stormde hij naar buiten en eiste de hand en de voet van deze onverlaat. Hij bond de strijd aan met zijn tegenstander, maar het was een ongelijke strijd. In het begin kon Laurin zich met zijn kap onzichtbaar maken, maar zijn tegenstanders slaagden erin de kap weg te trekken. Laurin viel op de grond en smeekte om zijn leven. Hij werd overmeesterd, geboeid en gedwongen zijn overwinnaars in zijn rijk toe te laten. Daar werd Similde bevrijd. Laurin nodigde Dietrich en diens gevolg uit voor een maaltijd. Toen iedereen had gegeten en gedronken, kwamen opeens duizenden dwergen tevoorschijn die Dietrich en zijn mannen overvielen, vastbonden en opsloten in het donkerste deel van het bergrijk. Dietrich was zo kwaad over deze geniepige daad, dat hij een ongelooflijke kracht ontwikkelde. Zijn boeien sprongen uiteen, waarna hij zijn mannen bevrijdde. Ze braken alle deuren en sloten open en overvielen de nietsvermoedende dwergen. Uiteindelijk slaagden ze er ook in de dwergenkoning gevangen te nemen. Zo kwam er een einde aan de heerschappij van het dwergenrijk. Door een toverspreuk van de geboeide koning was de glans van zijn rozentuin voorgoed gedoofd: niemand zou de rozen ooit nog te zien krijgen, niet op klaarlichte dag en evenmin in de nachtelijke duisternis. Alleen naakte, bleke rotsen zouden blijven staan. Maar Laurin was vergeten de schemering te noemen. En zo lichten de ‘bleke bergen’ nog steeds roodgloeiend op in de avondschemering.



